Het oog

 

​Hoe zit het oog in elkaar?

Elk oog is een bol, maar we zien er alleen de voorkant van. De rest zit verborgen in de oogkas, een opening in de schedel. Elk oog hangt daarin vast met spiertjes, waardoor je de twee ogen samen naar links, rechts, boven en onder kan bewegen. De oogleden beschermen de oogbol aan de voorkant en schermen hem ook af.

De oogbol bestaat uit verschillende lagen. Van buiten naar binnen heb je:

  • het hoornvlies. Dat is de doorzichtige laag die je ogen vooraan bedekt. Het hoornvlies bevat erg veel zenuwen, waardoor het heel gevoelig is. Die gevoeligheid beschermt het oog tegen beschadiging. Daardoor merk je bijvoorbeeld meteen dat er een stofje in je oog zit.
  • het regenboogvlies of de iris geeft je ogen hun kleur.
  • de pupil. Dit zwarte cirkeltje in het midden van de iris is een opening naar het binnenste van het oog. Het kan groter en kleiner worden.
  • de lens zit vlak achter de pupil. Net als het hoornvlies is de lens doorzichtig. Ze lijkt wat op een rijstkorrel, maar dankzij kleine spiertjes kan ze van vorm veranderen: van lang en smal naar dik en rond, en omgekeerd.
  • het glasvocht. Deze doorzichtige gel vult de holte vanbinnen in de oogbol op.
  • Het netvlies. Dat zit vast aan de achterwand van het oog. Op het netvlies zitten meer dan honderd miljoen speciale celletjes die gevoelig zijn voor licht. Daarvan zijn er twee soorten: kegeltjes en staafjes.
  • De oogzenuw. Hij bestaat uit heel veel zenuwvezels en verbindt het netvlies met de hersenen.

Hoe werkt het oog?

Om te kunnen zien, moet er licht op je ogen vallen. Met dat licht gebeurt het volgende:

  • Het hoornvlies bundelt de lichtstralen.
  • De lichtbundel gaat door de pupil. De pupil wordt groter of kleiner volgens de hoeveelheid licht die er is. Is het donker, dan staat ze wijd open om zoveel mogelijk licht binnen te laten. In heel fel licht trekt ze samen om te vermijden dat je verblind wordt.
  • De lichtbundel gaat door de lens. De lens wordt vlakker als je naar iets in de verte kijkt en boller als je naar iets dichtbij kijkt. Zo heb je in beide omstandigheden een scherp beeld.
      • De geconcentreerde lichtbundel komt op het netvlies terecht. Daar zetten de lichtgevoelige kegeltjes en staafjes de lichtenergie om tot elektrische energie. De kegeltjes doen je kleuren en details zien, maar hebben veel licht nodig. Dankzij de staafjes zie je ook bij erg zwak licht, maar dan alleen in zwart-wit en veel minder scherp.
      • De gele vlek of macula is dat stukje van het netvlies waar de kegeltjes het dichtst op elkaar zitten. Daarmee zie je het allerscherpst en bekijk je datgene waar je je blik op richt.
  • De oogzenuw stuurt de elektrische energie door naar de hersenen.
  • De blinde vlek is het plekje waar de oogzenuw het oog verlaat. Daar zie je niets omdat er geen lichtgevoelige cellen zitten. Je merkt het alleen niet, omdat je hersenen de ontbrekende informatie voortdurend aanvullen.
  • De hersenen verwerken de elektrische informatie tot een beeld. Het gebied dat zich daarmee bezighoudt, zit helemaal achteraan in de hersenen. Onderweg daarheen verbindt de informatie afkomstig van de ogen zich met die van de andere zintuigen om één geheel te vormen. Wat je ziet, wordt opgeslagen in je hersenen zodat je het in je verbeelding kan terughalen.

Bij mensen staan de ogen vooraan in het gezicht. Daardoor kunnen we ook goed diepte zien en afstanden inschatten. Dieren met ogen aan de zijkant van hun kop, zoals konijnen of kippen, hebben een ruimer blikveld maar minder dieptezicht.
Onze ogen zijn eigenlijk geëvolueerd om in de verte te kijken. Wanneer we dat doen, ontspannen ze zich. Tegenwoordig gebruiken we ze echter vooral om naar dingen dichtbij te kijken. Dat is veel lastiger.

Oogafwijkingen en oogziekten

De ogen zijn wonderbaarlijk, maar ze kunnen ook haperen.

  • Alleen met ogen die de juiste vorm en binnenafmetingen hebben, zie je perfect. Bij maar de helft van de mensen is dat zo. Zijn die verhoudingen niet helemaal juist, dan komt het licht dat door de lens gaat, niet op de juiste plek terecht. Dat heet een brekingsafwijking of refractiestoornis. Voorbeelden zijn bijziendheid of verziendheid.
  • Ogen verouderen. Zo ontstaan bijvoorbeeld ouderdomsverziendheid en cataract.
  • Ze kunnen ziek worden. Die ziekte kan ontstaan in het oog zelf, bijvoorbeeld bij glaucoom of maculadegeneratie. Of ze worden besmet met een ziektekiem die van buiten het oog komt, bijvoorbeeld bij conjunctivitis. Ook ziekten elders in het lichaam hebben vaak een weerslag op de gezondheid van de ogen, bijvoorbeeld suikerziekte.
  • Ogen kunnen een aangeboren afwijking of ziekte hebben, of schade oplopen door een ongeval.

Verschenen op 1 september 2016 met medewerking van professor Marie-José Tassignon, diensthoofd oogheelkunde van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen.

Contacteer ons

Algemene vragen en vragen over jouw ziekteverzekering