Ziekte van Parkinson

De ziekte van Parkinson is een ongeneeslijke hersenziekte die vooral oudere mensen treft. Ze ontstaat doordat specifieke hersencellen geleidelijk aan afsterven. Beven en spierverstijving zijn de bekendste, maar niet de enige kenmerken. Naarmate er meer hersencellen afsterven, worden de symptomen erger. De ziekte kan niet gestopt of genezen worden. Maar met geneesmiddelen en andere behandelingen kan je de symptomen een hele tijd onder controle houden.

Wat

​De ziekte van Parkinson is een chronische, steeds voortschrijdende hersenziekte. De ziekte verloopt meestal traag, over tientallen jaren.
Ze ontstaat doordat specifieke soorten hersencellen afsterven. Cellen in de hersenstam die dopamine aanmaken zijn daarvan de belangrijkste.
Dopamine is een neurotransmitter, ofwel een chemische stof in de hersenen. Neurotransmitters brengen boodschappen over van de ene naar de andere hersencel. Zo geven ze opdrachten aan de hersenen, die uitgevoerd worden in ons lichaam. Dopamine speelt een belangrijke rol in het sturen van onze bewegingen en bij ons evenwicht. Door het verlies van dopamine worden de signalen van de hersenen naar de spieren niet goed meer doorgegeven. Daardoor krijg je het moeilijk om je bewegingen te sturen. Pas als meer dan de helft van die dopamine-producerende cellen verloren gegaan zijn, wordt dat echt merkbaar.
De ziekte dankt haar naam aan de Engelse arts James Parkinson, die haar in 1817 voor het eerst uitgebreid beschreef.

Klachten

De ziekte uit zich op veel verschillende manieren. Niet iedereen krijgt alle symptomen, of heeft ze allemaal tegelijk. Er zijn twee soorten symptomen: veranderingen in de manier waarop je beweegt, en symptomen die niets met beweging te maken hebben. De bewegingsstoornissen zijn de belangrijkste.

  • Bewegingsstoornissen

      • Vertraging en verkleining van de bewegingen. Dat is het allerbelangrijkste kenmerk. Het kan alle soorten van bewegingen treffen: stappen, hand- en armbewegingen, praten, zelfs slikken. Je gaat bijvoorbeeld trager en schuifelend stappen, kleiner en moeilijk leesbaar schrijven, stiller en onduidelijker spreken.
      • Beven is de bekendste klacht. Dit komt voor bij driekwart van de patiënten. Sommige mensen met Parkinson beven dus niet. Het begint meestal in een arm of hand en gebeurt vooral wanneer de spieren van het getroffen lichaamsdeel ontspannen zijn. Bijvoorbeeld wanneer je hand in je schoot ligt, kan hij gaan trillen. Wanneer je doelbewust een beweging in gang zet, stopt het beven.
      • Stijfheid. De spieren van het getroffen lichaamsdeel blijven voortdurend strak aangespannen en ontspannen niet meer. Dit maakt bewegen moeilijker. Ook de spieren van het gezicht kunnen verstarren tot een soort masker, waardoor je maar weinig gelaatsuitdrukking meer hebt en er altijd ernstig uitziet.
      • Verandering van lichaamshouding en evenwichtsproblemen. Je gaat voorovergebogen staan en lopen; je hebt moeite om je evenwicht te bewaren en valt gemakkelijker omver.

        De bewegingsstoornissen beginnen meestal aan één kant van het lichaam. Ze breiden zich later uit naar de andere kant, maar blijven altijd het sterkst aan die oorspronkelijke kant.
  • Andere symptomen

    Andere symptomen ontstaan doordat ook andere soorten hersencellen dan de dopamine-makende cellen afsterven. Ze verminderen minstens even hard de levenskwaliteit als de bewegingsstoornissen:
      • Je kan minder goed geuren herkennen of uit elkaar houden.
      • Slaapstoornissen: je slaapt slechter en hebt vaker levendige dromen.
      • Depressie en angst. Ze zijn een uiting van de ziekte zelf en geen emotionele reactie op de ziekte en haar gevolgen.
      • Veranderingen in het denkvermogen. Je kan minder goed verschillende dingen tegelijk doen, hebt geheugen- en concentratiestoornissen.
      • Soms pijn in een lichaamsdeel of over het hele lichaam.
      • Problemen met plassen.
      • Constipatie.
      • Lage bloeddruk .

 

Diagnose

​Een neuroloog of zenuwarts stelt de diagnose op basis van de symptomen, een vraaggesprek en een lichamelijk onderzoek.

  • Vertraging en verkleining van de beweging, plus ten minste één andere bewegingsstoornis: die twee symptomen zijn genoeg om de diagnose te stellen. Symptomen die niet met beweging te maken hebben, zijn er vaak al nog voor de bewegingsstoornissen opduiken. Pas als ook de bewegingsstoornissen er zijn, kan de diagnose echter gesteld worden.
  • Geen enkel laboratoriumonderzoek of hersenscan kan de ziekte van Parkinson zwart op wit aantonen. Dat soort onderzoeken gebeurt wel om zeker te zijn dat de symptomen geen andere oorzaak hebben, of dat het niet gaat om een andere ziekte met symptomen die lijken op die van de ziekte van Parkinson.

Verwarring mogelijk met Parkinson-plus

Een aantal zeldzamer hersenziekten lijken erg op de ziekte van Parkinson, maar zijn het niet. Ze worden ook wel Parkinson-plus aandoeningen of parkinsonismen genoemd. Symptomen die bij echte Parkinsonpatiënten pas tegen het einde van de ziekte optreden, komen bij deze ziekten vaak al van in het begin voor. Meestal verlopen deze ziekten ook sneller en lopen ze binnen een paar jaar slecht af, terwijl Parkinson veel trager evolueert. Ze reageren bovendien veel slechter op geneesmiddelen.
In het begin is het niet altijd duidelijk of het Parkinson of Parkinson-plus wordt. Soms moet de diagnose na verloop van tijd bijgesteld worden.

Enkele van die ziekten zijn:

  • MSA of Multi-Systeem Atrofie
  • PSP of Progressieve Supranucleaire Paralyse
  • Cortico-Basale Degeneratie

Behandelen

Geneesmiddelen zijn het belangrijkste deel van de behandeling. Ze vervangen het verloren gegane dopamine en verminderen zo de symptomen. De ziekte genezen of de achteruitgang stoppen, kunnen ze echter niet. Er bestaan verschillende soorten geneesmiddelen, die elk volgens een andere strategie werken:

  • Levodopa is een voorloperstof van dopamine. Het wordt opgenomen in de hersenen en wordt daar omgezet in dopamine, dat de hersenen daarna kunnen gebruiken. Dit is het krachtigste en meest gebruikte geneesmiddel.
  • De dopamine-agonisten. Deze geneesmiddelen binden zich rechtstreeks op dezelfde plaatsen in de hersenen waar dopamine zich bindt en zijn werk doet. Ze vervangen dopamine wat, maar ze zijn minder sterk in het behandelen van de symptomen. Ze hebben minder bijwerkingen dan Levodopa.  Daarom worden ze vaak samen met  - een lagere dosis - Levodopa gebruikt, of schakelt men na verloop van tijd over op Levodopa.
  • Geneesmiddelen die de afbraak van dopamine verminderen. Er gaat dan minder dopamine verloren waardoor er meer beschikbaar blijft in de hersenen. Ook deze middelen zijn minder sterk dan levodopa en worden vooral gebruikt samen met een ander geneesmiddel. Ze zouden ook een vertragend effect op de neerwaartse evolutie van de ziekte hebben, al is men dat nog niet 100% zeker.
  • Een hersenoperatie is voor sommige mensen in een later stadium een uitweg (zie verder: diepe hersenstimulatie)

Levensstijl

Om zo lang mogelijk fit en mobiel te blijven, is dagelijkse lichaamsbeweging heel belangrijk. Net als een evenwichtige voeding met genoeg vezels en vocht.

Ondersteunende behandelingen

  • Kinesitherapie helpt je om in beweging te blijven. Je leert ook bewegingsstrategieën tegen bijvoorbeeld evenwichtsproblemen.
  • Logopedie helpt bij problemen met praten en slikken.
  • Ergotherapie helpt je bij het uitvoeren van dagelijkse handelingen en leert je hoe je gespecialiseerde hulpmiddelen gebruikt.

Evolutie

De bestaande symptomen verergeren en nieuwe duiken op:

  • Je stapt steeds moeilijker en verliest gemakkelijker het evenwicht. Met gevolgen zoals valpartijen, verwondingen en botbreuken. Ook plots ‘bevriezen’ in het midden van een beweging komt voor.
  • Door slikproblemen kan je moeilijker speeksel doorslikken en verslik je jezelf gemakkelijk in je eten. Voedsel dat in de longen belandt, kan daar een longontsteking veroorzaken.
  • Je wordt steeds moeilijker verstaanbaar, waardoor een gesprek voeren heel lastig wordt.
  • Mentale achteruitgang en dementie. Dementie komt ongeveer zes keer zo vaak voor bij mensen met Parkinson als bij mensen die die ziekte niet hebben.

De geneesmiddelen worden bovendien minder doeltreffend:

  • Levodopa is sneller uitgewerkt. Je hebt het steeds vaker nodig.
  • De werking van levodopa wordt onvoorspelbaar: soms werkt het middel wel, dan ineens niet meer en soms gaat het te hard werken. Met als gevolg abnormale, krampachtige bewegingen die plots weer wegvallen. Wat later kan je weer helemaal verstijven. In de loop van één dag kan je van het ene in het andere uiterste vervallen. Het wordt dan ook heel moeilijk om je toestand vooruit in te schatten en je dag te plannen.

Diepe hersenstimulatie

Een hersenoperatie kan een grote verbetering brengen, maar slechts een beperkte groep van patiënten mogen de behandeling krijgen.  Het gaat om mensen in een later stadium van de ziekte, die onvoorspelbaar reageren op levodopa. Ze mogen bovendien geen mentale achteruitgang hebben. De behandeling werkt alleen op de bewegingsstoornissen, niet op de symptomen die niet met beweging te maken hebben.
Deze behandeling - diepe hersenstimulatie - is een tamelijk recente techniek die ook voor sommige andere hersenaandoeningen gebruikt wordt. Daartoe wordt een elektrode tijdens een operatie geplant in dat deel van de hersenen waar het probleem zit. De elektrode is door een onderhuids kabeltje verbonden met een neurostimulator, een soort pacemaker die ook onderhuids op het lichaam bevestigd is. De neurostimulator stuurt elektrische impulsen naar je hersenen. Zij onderdrukken er de signalen die de bewegingsstoornissen veroorzaken.

Een hersenoperatie is ingrijpend en niet helemaal zonder gevaar, maar de levenskwaliteit van de meeste mensen verbetert fel door de hersenstimulatie, en dat voor jaren. Ze worden weer mobieler, hebben minder last van blokkering van hun bewegingen en hebben minder geneesmiddelen nodig. De ziekte evolueert ondertussen wel verder en er kunnen nieuwe symptomen bijkomen, maar je wint intussen wel een belangrijk stuk tijd.

Vooruitzicht

De ziekte van Parkinson verloopt meestal langzaam, over meer dan tien jaar. Bij jonge mensen verloopt ze doorgaans trager dan bij ouderen. Ze is op zichzelf niet dodelijk, maar veroorzaakt wel verwikkelingen waardoor mensen met Parkinson gemiddeld wat vroeger overlijden dan gezonde leeftijdsgenoten.
Dokters maken een onderscheid tussen de beverige en de stijve vorm. Mensen die vooral beven hebben op langere termijn een iets beter vooruitzicht dan degenen die vooral last hebben van stijfheid. Ze blijven langer onafhankelijk en hebben op termijn minder verwikkelingen. Ook als je beeft kan je veel bewegingen immers blijven uitvoeren, terwijl dat bij verstijving veel moeilijker is.

Meer weten:

www.parkinsonliga.be

Oorzaak

​De precieze oorzaak is nog onbekend. Wel weten we dat er een erfelijke en een niet-erfelijke vorm bestaat.

  • De niet-erfelijke vorm begint meestal tussen de leeftijd van 55 en 65 jaar. Twee derde van de patiënten heeft deze vorm.
  • De erfelijke vorm begint vaak al voor de leeftijd van 55 jaar, soms zelfs bij tieners of twintigers. Vijf tot tien procent van alle Parkinsonpatiënten heeft een erfelijke vorm. Ze ontstaat doordat je een of meer genen met een fout hebt. Er zijn momenteel een zestal genen bekend die een rol spelen in het ontstaan van de erfelijke vorm. De manieren waarop de ziekte geërfd wordt, zijn echter zeer ingewikkeld. Elke mens heeft duizenden genen. Samen bevatten ze al onze erfelijke eigenschappen.
  • Vergiftiging met zware metalen, sommige bestrijdingsmiddelen en giftige stoffen zoals pcb’s zou ook een rol spelen.

Hoe vaak komt het voor?

Het aantal patiënten in België wordt tussen 30.000 en 35.000 geschat. Wereldwijd lijden ongeveer 4 miljoen mensen aan de ziekte.

Risicofactoren

  • Leeftijd. Hoe ouder, hoe groter je kans op het ontwikkelen van de ziekte, althans de niet-erfelijke vorm. Door de vergrijzing neemt het aantal mensen met de ziekte dus toe.
  • Mannen hebben het iets vaker dan vrouwen.
 

Verschenen op 26 juni 2015 met medewerking van professor Patrick Santens, neuroloog, UZ Gent

Contacteer ons

Algemene vragen en vragen over jouw ziekteverzekering